Samenvatting
geplaatst door Mopampa, categorie De CyphotilapiaVerspreiding:
endemisch in het Tanganyikameer, levend boven de rotsachtige bodem. Het meest frequent voorkomend op een diepte tussen 20 m en 50 m. Jonge exemplaren worden wel eens op een geringere diepte waargenomen. Dit voorkomen op “redelijke diepten” brengt met zich mee dat de gevangen dieren trapsgewijze naar boven moeten gebracht worden om niet aan decompressieverschijnselen te sneuvelen. Alnaargelang de herkomst van de dieren, zijn kleine verschillen in het kleurenpatroon en de lichaamsbouw merkbaar. Het meest opmerkelijke verschil vertoont de “Kigoma”-variant. Deze heeft op het lichaam zeven dwarsbanden daar waar de andere varianten maar slechts zes dwarsbanden op het lichaam hebben.
Aquariuminrichting:
men kan hierbij voor 2 verschillende inrichtingen kiezen. Men kan kiezen voor een open inrichting met zeer weinig tot geen schuilruimtes waardoor er minder agressie zal onstaan. 2 de optie is het aquarium te voorzien van voldoende holen of andere schuilplaatsen, waarin ondergeschikte dieren hun toevlucht kunnen zoeken. Planten worden over het algemeen met rust gelaten. Voor bodembedekking kan men het beste zand gebruiken, dit in verband met het spoelen van de kieuwen.
Grootte/leeftijd:
mannelijke exemplaren kunnen ruim 30 cm lengte halen en een halve kg aan gewicht behalen. De grootte van de vissen kan wel verschillend per variant. Cyphotilapia’s zijn langzame en rustig bewegende vissen. Velen denken dat dit invloed heeft op de lange levensduur van de vissen. De leeftijd van een goed verzorgde Cyphotilapia kan oplopen tot 20 jaar tot 25 jaar.
Lichaamsvorm:
vrij hoog lichaam, zijdelings matig samengedrukt. Bij het opgroeien ontwikkelt zich een voorhoofdsbult, het meest uitgesproken bij mannelijke dieren maar zeker geen bevestiging voor het geslacht. De variant afkomstig uit Burundi vertoont de grootste voorhoofdsbult. Relatief grote muil en sterk verlengde buikvinnen.
Kleur en tekening:
alle varianten hebben een witte tot grauwwitte grondkleur en zes (of zeven) zwarte dwarsbanden op het lichaam. Op de kop, alsook op de vinnen is een blauwe schijn merkbaar. Deze blauwe schijn is bij de zuidelijke varianten duidelijker aanwezig en kan zich zelfs uiten in een blauw/violet kleur. Enkele varianten vertonen ook een gele schijn in de vinnen,
Geslachtsonderscheid:
alhoewel de wetenschapslui zich niet met zekerheid over geslachtsverschillen uitspreken, weten de cichidophielen met grote zekerheid hun dieren naar het geslacht te onderscheiden. Bij geslachtsrijpe dieren zijn er een factoren in het uiterlijk en het gedrag waar men het geslacht uit zou kunnen halen. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan de wijfjes van dezelfde leeftijd en hebben ook een heel wat duidelijker geprononceerde voorhoofdsbult. Bovendien gedragen ze zich ook territoriaal en dominant. Wel moet er vermeld worden dat ook alfa vrouwen dit gedrag kunnen vertonen
Kweek:
maternale muilbroeder waarbij, de grootte in acht genomen, slechts weinig eieren per broedsel worden geproduceerd. Het afzettingsgedrag verschilt echter van het gebruikelijke patroon. Het mannetje neemt het initiatief en zwemt voorop, naar de afzetplaats toe. Daar aangekomen vertraagt hij en terwijl hij met zijn genitaliën over de bodembedekking glijdt, stort hij zijn sperma op deze plaats. Het wijfje volgt hem op de voet en wanneer het mannetje van de broedplaats wegzwemt zet ze één tot drie eieren op deze plaats af. Vervolgens zwemt ze eventjes achterwaarts, gaat a.h.w. op de kop staan en neemt de (bevruchte) eieren in de muil. Het totale aantal eieren per broedsel schommelt tussen een tiental tot ruim vijftig stuks. De eieren zijn ongeveer 6 mm lang en wanneer de jongen vier tot vijf weken later voor het eerst worden vrijgelaten zijn ze ongeveer 20 mm lang. Ze nemen onmiddellijk Daphnia en Artemia-naupliën of ander voer van gelijkwaardige grootte.
Water:
best de natuurlijke omstandigheden benaderend: pH rond 8,5, totale hardheid ongeveer 10 DH en een carbonaathardheid rond 18 KH, geleidbaarheid rond 600 µS bij een temperatuur van 25° tot 27° C. en liefst zeer zuurstofrijk water.
Voeding:
Dr. M. Poll vermoedde na maagonderzoekingen dat de soort zich in de natuur als roofvis zou gedragen. Nochtans stellen we vast dat de majestueuze Cyphotilapia dieren geen energie verspillen in het achtervolgen van prooidieren. Ad Konings maakt daarom een compromis van beide beweringen door te stellen dat Cyphotilapia bij het aanbreken van de dag zeer snel ontwaakt en de nog slaapdronken dieren uit de genera Cyprichromis en Paracyprichromis rijkelijk in zijn omgeving aantreft en daar ook dankbaar gebruik van maakt. In het aquarium kunnen we hen best stevige snel zinkende brokken aanbieden. Garnalen, mosselen, regenwormen, stukken ontdooid visvlees, e.d. worden graag genomen. Toch vallen ook kleinere voedseldieren als muggenlarven in de smaak. Ze blijken echter vlug voldaan te zijn en zijn dikwijls eerder traag in het voeder nemen.
Gedragingen:
door hun territoriaal en dominant gedrag reageren mannetjes vrij agressief op soortgenoten in hun directe omgeving. Tegenover andere soorten zijn ze echter vreedzaam. Een geschikte vis om bij de Cyphotilapia te plaatsen is bijvoorbeeld de Altolamprologus calvus.


Reacties van bezoekers
Op dit artikel zijn nog geen reacties geplaatst, je zou de eerste "kunnen" zijn.