Home  >  Tanganyika aquarium >  Tanganyika cichliden >  Aulonocranus

Aulonocranus dewindti 

 

 

Boulenger: 1899

Systematiek : dewindti, Paratilapia Boulenger 1899:88, Pl. 18 (fig. 2) [Transactions of the Zoological Society of London v. 15 (pt 4, no. 1); ref. 550]. Moliro, Zaire, southern Lake Tanganyika. Syntypes: BMNH 1899.11.27.101 (1); MRAC 197-198 (1, 1). Also appeared in Boulenger 1900:141, Pl. 53 (fig. 2) [ref. 555]. •Valid as Aulonocranus dewindti (Boulenger 1899) -- (Maréchal & Poll 1991:18 [ref. 20946], Poll & Gosse 1995:241 [ref. 24781]). Boulenger, G. A. 1899. Second contribution to the ichthyology of Lake Tanganyika.--On the fishes obtained by the Congo Free State Expedition under Lieut. Lemaire in 1898. Trans. Zool. Soc. Lond. v. 15 (pt 4, no. 1): 87-96, Pls. 18-20. Current status: Aulonocranus dewindti (Boulenger 1899). Soortnaam Aulonocranus dewindti (Boulenger, 1899). Oorspronkelijk door Boulenger beschreven als Paratilapia dewindti. Door Regan werd in 1920 voor deze soort Aulonocranus opgesteld.

Verspreiding: endemische soort uit het Tanganyikameer kan ook worden aangetroffen in de aangrenzende Rusizi en Rukuga rivieren. Deze soort kan door het ganse meer worden aangetroffen, zowel in Burundi als in Congo (voormalig Zaïre), Zambia en Tanzania. De A dewindti word aangetroffen in de kustzones en overgangzones waar zij in groepen van wel 100derden exemplaren boven de zandbodem gekarakteriseerd door veel stenen en lege schelpen leven. Deze gebieden kunnen kilometers lang zijn. Deze vissen leven op geringe dieptes zo rond de 5 meter. Territoriale mannen vormen broed kolonies en proberen de vrouwen aan te trekken,  waarnaar die in grote groepen boven de territoria van de mannen gaan zwemmen. De A dewindti word vaak in dezelfde gebieden aangetroffen als sommige van de Ophthalmotilapia soorten.

 

Grootte : de soort bereikt een totale lengte tussen de 12 (vrouw) en 14 cm  (man). Deze vis behoort tot de groep vedervinnigen in het Tanganyika meer, net als de soorten Cunningtonia, Cyathopharynx, Cardiopharynx en Ophthalmotilapia. De A dewindti  is in het wild de meest voorkomende vedervinnige maar ook de kleinste in deze groep te noemen, de soort word dan ook wel de dwarf feather fin. genoemd

Lichaamsvorm : Deze soort behoort tot de groep verdervinnigen en zoals men al uit deze naam kan halen is er bij deze soort te spreken over zeer lange vinnen. De vissen hebben vergrote sensorische poriën op hun kop, die hen in staat stellen om beweging in het zand waar te nemen. Ook valt het op dat de vis een grote muil heeft waardoor sommige denken dat deze soort een carnivoor is

Kleur en tekening : vooral de mannen hebben een schitterende tekening. Over de flanken lopen enkele gelige lengtestrepen over een blauw iriserende ondergrond. Alle ongepaarde vinnen hebben ook deze geelblauwe kleuren in strepen en vlekken. De rugvin heeft dan nog een zwarte tekening, die tussen individuen sterk kan verschillen; de één heeft een enkele vlek, de ander meer in elkaar overvloeiende vlekken. De buikvinnen zijn lang uitgegroeid en kleuren tijdens de balts heel donker. De vrouwtjes en ondergeschikte mannetjes van de soort zijn glanzend zilver, maar tonen een sprankeling van regenboogkleurige en purperachtige blauwe tinten langs hun flanken.

 

Geslachtsonderscheid : Bij de vrouwelijke exemplaren is een zilvergrijs met een sprankeling van purperblauw en gele schijn waar te nemen terwijl bij de mannen een duidelijker en feller kleurpatroon waar te nemen is wat zich vaak uit in horizontale strepen over het lichaam. Bij de mannelijke exemplaren zijn de (aars)vinnen aanzienlijk langer terwijl bij de vrouwen de vinnen afgerond zijn. In het aquarium kan men het beste een 3 tal vrouwen bij 1 man houden. Wanneer de ruimte en grote van het aquarium het toelaat kan men er ook voor kiezen meerdere mannen met vrouwen in het aquarium te plaatsen.

Kweek : De A. dewindti is een uitbroedende cichliden. Wanneer er word gezorgd voor de juiste omstandigheden in het aquarium is deze soort niet 1 van de moeilijkste om mee te kweken. Bij de kweek zal de man eerst een groot nest maken van zand. Met het bouwen van een nest zal de man proberen de vrouw te imponeren. Men moet dus niet raar opkijken men een groot bouwwerk zal aantreffen. Volgens de literatuur maakt deze soort het nest op de bodem, tegen stenen, zo ontstaat dan een krater met een diameter van zo'n 20 à 25 cm. Het baltsende mannetje probeert vervolgens met fladderende vinnen een goed gevuld vrouwtje naar dit nest te lokken. Wanneer dit is gelukt zal de man naar de bodem van het nest duiken waar hij duidelijk zijn imposante kleuren zal laten zien en zal gaan trillen met het lichaam. Hierna of tijdens dit proces zal hij zijn sperma storten. Wanneer de man het nest verlaat zal de vrouw vervolgens naar de bodem zwemmen om haar eieren daar af te zetten. Terwijl zij hiermee bezig is zal de man het nest verdedigen tegen andere vissen die te dicht in de buurt komen. Wanneer zij een aantal eieren heeft neergelegd zal zij deze oppakken en in haar muil nemen. Dit ritueel zal herhaald worden totdat zij alle eieren heeft gelegd of wanneer zij flauw is van de man en een ander zal opzoeken. Er kunnen tijdens de balts ruim 60 tot 80 eieren worden voortgebracht. Het gebeurt bij deze soort geregeld dat meerdere vouwen tegelijk zullen broeden en afzetten. Het nest zal fel verdedigd worden. De jongen zullen na ongeveer 3 tot 4 weken worden losgelaten, dit zijn meestal een 25 tot 40 tal jongen. Aan te raden is om de jonge apart te zetten van de ouders, vooral de vader zal de jongen gaan zien als voedsel.

Water : Het water in het Tanganyika meer is hard alkalisch te noemen. Daarvoor is het wenselijk om de pH waarde van het aquariumwater rond de 8,5 te houden, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 µS, een temperatuur van 24°-27° C en een zo hoog mogelijke zuurstofconcentratie en zo weinig mogelijk nitraten. Houd in gedachten dat het water in het Tanganyika meer zeer stabiel is en dat grote schommelingen in het water niet wenselijk is. Wanneer er een verversing word gedaan van het water ververs dan niet al te grote hoeveelheden om het water zo stabiel mogelijk te houden. Een derde to één vierde per week word aangeraden

Voeding : Aangezien de vis een grote bek heeft duidt het erop dat het een carnivoor is. Krachtig voer in de vorm van garnalen en mosselen maar ook voer welke algen bevat zoals spirulina is aan te bevelen. Kleinere vis zou ook gegeten kunnen worden. In de natuur leven ze vooral van insectenlarven en schaaldiertjes.  De soort is perfect geschikt voor dit soort voedselvoorkeur, aangezien zij  vergrote sensorische poriën op hun kop hebben, die hen in staat stellen om beweging in het zand waar te nemen. Dit doen zij door langzaam boven het zand te zweven. Wanneer zij beweging waarnemen zal de vis een grote hap in het zand nemen en vervolgens door hun kieuwen het eten uit het zand filteren. Vertaling vanuit het Latijn, Aulon betekend elektrisch en cranus betekend hoofd. In het wild eten deze vissen vanaf s’ochtends vroeg tot s’avonds laat. De A. dewindti staat niet bekend als moeilijke eter en zal bijna alle soorten voer accepteren.

Gedragingen : tegenover soortgenoten gedragen ze zich redelijk territoriaal. Daarom is het aan te raden ze niet in kleine aquaria en met meerdere dieren/soortgenoten tezamen te houden. Andere soorten laten hen redelijk onverschillig. Wanneer er meer dan 1 enkele man word geplaatst zal dit de agressie tegenover de vrouwen en de aandacht hiervoor verminderen. Dit aangezien een dominante man zich bezig zal gaan houden met de andere mannen in het aquarium. Wanneer de vissen gaan kweken zal de man een nest of nesten gaan bouwen, dit kan soms wel een krater worden van ruim 25 cm of zelfs groter en meerdere. De subdominante man zou aan de ander kant van het aquarium zijn territorium vormen en daar zijn krater creëren. De mannen staan erom bekend dat zij het gehele aquarium inrichten naar eigen smaak en het zand hiernaar verplaatsen. Een ander merkwaardig gedrag van deze soort waar genomen door diverse bronnen is het volgende, wanneer men onderhoud wou uitvoeren in het aquarium of om andere redenen in het aquarium moet zijn graafden de vissen zichzelf. Het enige wat nog te zien was aan de vis was de mond die boven het zand uitsteekt en langzaam beweegt door het ademen van de vissen.

Aquariuminrichting : een imitatie van het overgangsgebied tussen de rotskust en de zandkust lijkt aangewezen. Aangeraden word enigszins rotsen te gebruiken waar de vissen eventueel kunnen schuilen. Dit omdat de dominante man de andere mannen en zelfs de vrouwen redelijk kan opjagen. Verder moet er veel en fijn zand in het aquarium zijn waar de mannen hun gang kunnen gaan.