Home  >  Tanganyika aquarium >  Tanganyika cichliden >  Altolamprologus

Altolamprologus fasciatus

 

 

 Lamprologus fasciatus (Poll, 1898)

Systematiek : G.A. Boulenger beschreef de soort in 1898 als Lamprologus fasciatus in "Report on the collection of fishes made by Mr. J.E.S. Moore in Lake Tanganyika during his expedition, 1895-1896. With an appendix by J.E.S. Moore. Trans. Zool. Soc. Lond., 15 (1) 1 : p. 7". In 1985 maken J. Colombe en R. Allgayer een volledige revisie van het geslacht Lamprologus en plaatsen de soort in het nieuwe genus Neolamprologus "Description de Variabilichromis, Neolamprologus et Paleolamprologus, genres nouveaux du lac Tanganyika avec rédescription des genres Lamprologus Schilthuis, 1891 et Lepidiolamprologus Pellegrin, 1904 (Pisces, Teleostei, Cichlidae). Rev. fr. Cichlid no.49 (5) : 9-16, 21-28. M.L.J. Stiassny (1997) plaatste de soort in het genus Altolamprologus "A phylogenetic overview of the lamprogine cichlids of Africa (Teleostei, Cichlidae) : a morphological perspective." S. Afr. J. Sci., 93: 513-523.

Verspreiding : endemische soort uit het Tanganyika meer die over het ganse meer verspreid voorkomt; op sommige plaatsen echter zeer zelden. In het zuiden zijn de populaties nog het dichtste en leven de dieren in groepjes van twee tot vier individuen. A. fasciatus leeft bij voorkeur in de buurt van het rotskust-biotoop en in het overgangsbiotoop naar de zandkust,meestal op vrij geringe diepte. Ze zwemmen meestal zo'n 50 tot 100 cm boven het substraat, op zoek naar prooidieren.

Grootte : de soort bereikt een totale lengte van ruim 16 cm.

Lichaamsvorm : wat de vorm betreft lijkt de soort op Altolamprologus calvus, doch A. fasciatus is gestrekter. Zijdelings is het lichaam sterk afgeplat, zodat de dieren in zeer smalle rotsspleten kunnen binnendringen. De staartsteel is zeer smal en de staartvin is bijna rond wanneer ze uitgespreid wordt. De soort heeft tevens een diepgespleten muil, die zoals bij de Altolamprologus-soorten kan uitgestulpt worden. De naam is samengesteld uit de namen Alto, staat voor hooggebouwd, lamprologus betekend blinkende of schitterende vis en de soortnaam fasciatus staat voor de trepen welke over het lichaam heenlopen.

Kleur en tekening : de grondkleur is bleekgeel met een negental donkere dwarsbanden. De soortnaam "fasciatus" verwijst overigens naar het vertikale strepenpatroon. Er zijn namelijk op het lichaam een 9tal dwarsbanden waar te nemen . Op het eerste zicht herinnert deze tekening aan N. cylindricus, doch bij nader toezien zijn er ook wezenlijke verschillen. Een typisch kenmerk voor A. fasciatus is de turkooisblauw gekleurde iris. Op de kieuwdeksels zijn kleine gele stippen waar te nemen, bij de mannen zijn deze duidelijker waar te nemen als bij de vrouwelijke exemplaren

Geslachtsonderscheid : er zijn geen duidelijke secundaire geslachtsverschillen aan te duiden. De wijfjes blijven wel kleiner dan hun mannelijke soortgenoten.

Kweek : omwille van de onderlinge agressiviteit is het niet eenvoudig deze soort in het aquarium tot voortplanting te brengen. In de natuur zoeken de wijfjes zeer enge spleten tussen de rotsen op voor het afzetten van hun legsel. De mannetjes zijn meestal te groot voor deze holen en moeten hun sperma aan de ingang van het broedhol achterlaten. De verdere zorg voor het legsel wordt aan het wijfje overgelaten. In het aquarium wil de kweek wel eens gelukken en wordt bij voorkeur afgezet in grote "zeeschelpen".

Water : bij voorkeur met een pH rond 8, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 µS, een temperatuur van 24°-27° C en een zo hoog mogelijke zuurstofconcentratie en zo weinig mogelijk nitraten.

Voeding : in de natuur eet A. fasciatus bij voorkeur kleine visjes. Ook garnalen en andere kreeftachtigen staan bovenaan op de verlanglijst. In het aquarium kunnen we best met deze gegevens rekening houden, alsook ander dierlijk voer aanbieden. Mogelijk eet A. fasciatus in het begin mogelijk slechts aarzelend, doch daarna blijken ze over meer eetlust te beschikken.

Gedragingen : tegenover soortgenoten gedragen ze zich redelijk onverdraagzaam. Daarom is het aan te raden ze niet in kleine aquaria met meerdere dieren tezamen te houden. Andere soorten laten hen redelijk onverschillig.

Aquariuminrichting : een imitatie van het overgangsgebied tussen de rotskust en de zandkust lijkt aangewezen. Een inrichting bestaande uit stenen waardoor spleten ontstaan en zand op de bodem is voor de vissen de meest ideale inrichting. Schelpenhuizen worden ook gewaardeerd

© L. de Nijs