|
| ||
|
Benthochromis tricoti (Poll, 1948) Systematiek : in 1948 beschrijft Max Poll de soort als Haplotaxodon tricoti in "Descriptions de Cichlidae nouveaux recueillis par la mission hydrobiologique belge au lac Tanganika (1946-1947)", Bull. Mus. roy. Hist. Nat. Belgique 24 (26) p. Verspreiding : endemische soort van het Tanganyika meer. Het holotype, waarop de soortbeschrijving gebaseerd is, werd verzameld bij Moba (Congo). Ook de meeste andere museum-exemplaren van Tervuren stammen van de Congolese kust. René Krüter en Roger Bills waren de eersten die deze cichlide levend hebben verzameld en naar de oppervlakte gebracht in het zuidelijk deel van het meer (Zambia). Deze dieren werden op een diepte van ongeveer Grootte : mannetjes kunnen een lengte van ongeveer Lichaamsvorm : slank en langgerekt lichaam, met spitse kop en buisvormig uitstulpbare muil. Qua vorm zijn ze vergelijkbaar met overmaatse Paracyprichromis-soorten. Volwassen mannetjes hebben centimeters lange filamenten aan de staartvin, bijna zo lang als het lichaam van de vis. Bij het vangen en ophalen van de dieren breken deze filamenten echter af en groeien zeer langzaam weer aan. Kleur en tekening : volwassen mannetjes zijn grauwbruin van kleur met drie tot vier smalle helblauwe zigzaglijnen over het lichaam. De onderste helft van de kop is helgeel gekleurd, het bovenste deel helblauw. De aarsvin is gelig van kleur, de spitse buikvinnen donker. De donkergrijze staartvin heeft twee smalle blauwe dwarsstrepen en zowel boven- als onderaan gelijkaardig gekleurde randen. Wijfjes zijn zilverachtig van kleur, haast zonder enige tekening en hebben ook geen verlengde filamenten aan de staartvin. Geslachtsonderscheid : bij volwassen dieren zeer eenvoudig vast te stellen (zie "Lichaamsvorm" en "Kleur en tekening". Kweek : René Krüter kon de dieren tijdens de paring observeren. Wijfjes zonderen zich dan af van de school (30 tot 100 dieren) waarin ze in het openwater leven en naderen de nesten van de mannetjes bij de rotsen. Elk mannetje probeert daar met uitgestrekte vinnen en uitgestulpte bek het wijfje in zijn nest te lokken. Het wijfje zet dan alle eieren in één keer af; het mannetje gaat er langzaam met de genitaliën overheen en bevrucht ze, waarna het wijfje ze in de muil verzamelt. Krüter kon ook wijfjes verzamelen met opvallend grote jongen in de bek (3 tot Water : bij voorkeur met een pH niet onder 7,8, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 µS, een temperatuur van 24°-27° C en zo weinig mogelijk nitraten en stikstofhoudend afval. Voeding : niettegenstaande de uitstulpbare muil is B. tricoti geen piscivoor. In de natuur bestaat zijn voedsel voornamelijk uit kleine kreeftachtigen, meestal copepoda. In het aquarium eten ze zowel levend als diepgevroren klein voedsel, alsook vlokkenvoer. Gedragingen : in het aquarium gedragen de dieren zich niet agressief en komen de originele kleuren (van de mannetjes) snel terug na het overwennen. Aquariuminrichting : ondanks zijn lengte, valt de zwemruimte die de dieren verlangen tamelijk mee. Een aquarium van
|