|
| ||
|
Altolamprologus compressiceps
Boulenger: 1898 Verspreiding : endemische soort uit het Tanganyika meer die over het ganse meer verspreid voorkomt; op sommige plaatsen echter zeer zelden. In het zuiden zijn de populaties nog het dichtste en leven de dieren in groepjes van twee tot vier individuen. A. compressiceps leeft bij voorkeur in de buurt van het rotskust-biotoop en in het overgangsbiotoop naar de zandkust,meestal op vrij geringe diepte. Ze zwemmen meestal zo'n 50 tot Groote : Volwassen exemplaren zullen in het aquarium ongeveer Lichaamsvorm : Zijdelings is het lichaam sterk afgeplat, zodat de dieren in zeer smalle rotsspleten kunnen binnendringen. De staartsteel is zeer smal en de staartvin is bijna rond wanneer ze uitgespreid wordt. De soort heeft tevens een diepgespleten muil, die zoals bij de Altolamprologus-soorten kan uitgestulpt worden. Door de lichaamsvorm en harde schubben, zijn ze goed bestand tegen roofvissen en roofdieren; ze kunnen zich namelijk verbergen in nauwe spleten, en bij dreiging zullen ze het lichaam dwars naar de aanvaller toedraaien en de vissen opzetten. Hierdoor lijken ze groter wat vaak de aanvaller afschrikt. Kleur en tekening : Deze vis wordt aangeboden in verschillende kleurvariëteiten: Oa, “Yellow”, “Orange” en “Gold”. Maar naast deze kleuren zijn is er bv ook nog de A. compressiceps “Red fin” A. compressiceps “Goldhead” A. compressicep “Black head”. Geslachtsonderscheid : Mannen zijn/worden groter als de vrouwen. Volgroeide volwassen mannen worden over het algemeen groter als de vrouwen. Ook zijn bij de mannen de vinnen langer als bij de vrouwen. Kweek : omwille van de onderlinge agressiviteit is het niet eenvoudig deze soort in het aquarium tot voortplanting te brengen. In de natuur zoeken de wijfjes zeer enge spleten tussen de rotsen op voor het afzetten van hun legsel. De mannetjes zijn meestal te groot voor deze holen en moeten hun sperma aan de ingang van het broedhol achterlaten. De verdere zorg voor het legsel wordt aan het wijfje overgelaten. Het is gebleken dat de dieren een voorliefde hebben voor grote slakkenhuizen ( Water : bij voorkeur met een pH rond 8, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 µS, een temperatuur van 24°-27° C en een zo hoog mogelijke zuurstofconcentratie en zo weinig mogelijk nitraten. Voeding : in de natuur eet A. compressiceps bij voorkeur kleine visjes. Ook garnalen en andere kreeftachtigen staan bovenaan op de verlanglijst. In het aquarium kunnen we best met deze gegevens rekening houden, alsook ander dierlijk voer aanbieden. Mogelijk eet A. compressiceps in het begin mogelijk slechts aarzelend, doch daarna blijken ze over meer eetlust te beschikken. Gedragingen : tegenover soortgenoten gedragen ze zich redelijk onverdraagzaam. Daarom is het aan te raden ze niet in kleine aquaria met meerdere dieren tezamen te houden. Andere soorten laten hen redelijk onverschillig. Altolamprologus is een relatief langzaam zwemmende cichlide. Deze zal zich het prettigste voelen wanneer er een bestand word gekozen met rustig zwemmende cichliden. Aquariuminrichting : een imitatie van het overgangsgebied tussen de rotskust en de zandkust lijkt aangewezen. Een inrichting bestaande uit stenen waardoor spleten ontstaan en zand op de bodem is voor de vissen de meest ideale inrichting. Schelpenhuizen worden ook gewaardeerd © L. de Nijs
|